De motocross-geschiedenis van West-Duitsland.

Decrease Font Size Increase Font Size Taille du texte Imprimer

Deel 1.  Crossen voor Hitler. (1933-1945)

Europa werd na de oorlog verdeeld door het denkbeeldige IJzeren Gordijn tussen Oost en West.  Wat de motocross betreft hing er een ander gordijn. Dat begon in Zweden afdalend naar Denemarken, Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk en Italië. 

Ook Groot-Brittannië zat bij deze groep van landen. Hoewel West-Duitsland in West-Europa lag, lijkt het alsof motocross er onbestaande was. En dat was het ook. In het volgende drieluik gaan we na hoe het komt dat de eerste West-Duitser in de top-10 van het WK 500cc pas opduikt in 1970, een kwarteeuw na de oorlog. Zijn naam: Adolf Weil.

Terwijl in onze contreien de motocross als sport in de vroege jaren dertig gaandeweg vorm kreeg ging het er aan de overkant van de Rijn heel anders aan toe.

Als het over motoren- en autobouw gaat moet je bij onze oosterburen zijn.  Tot op heden zijn zij voertuigbouwers met naam en faam die elkaar de loef afsteken met de allernieuwste snufjes en technieken.  Niet altijd even proper zoals tegenwoordig blijkt maar succes in het racen doet verkopen.  Races van allerlei slag waren na WO I zeer populair in Duitsland.  Autorennen, rally’s, snelheidsrennen voor motoren, grasbaanraces, heuvelklim, de Internationale Zesdaagse, weidekoersen en terreinritten waren er gekend en geliefd bij het grote publiek.   Tot een andere Adolf op de proppen kwam.  Zijn naam: Adolf Hitler.

Vanaf 1920 was Hitler begonnen met de systematische uitbouw van zijn NSDAP, de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij.  Stilaan kreeg die macht over alle facetten van het dagelijkse leven.  In 1933, op het ogenblik dat bij ons de eerste crossen georganiseerd werden, werd Hitler staatshoofd en vanaf dan werd het klimaat verstikkend.  Niets of niemand kon nog om de partij heen.  Wie niet meedeed werd onverbiddelijk uitgesloten, sociaal en zelfs fysiek.  Voor nieuwe sporten met een persoonlijke loopbaan tot eigen eer en glorie en niet tot die van de Führer was hoegenaamd geen sprake meer.  De uitbouw van het leger werd prioriteit.  Voor alle afdelingen van de partij werd geronseld en dat begon al bij de jeugd.  Hoe kon je de jongeren beter lokken dan hun een avontuurlijk motorleventje voor te spiegelen.  In de Motor HJ (Hitler Jugend) zouden ze naar het voorbeeld van hun motorsportidolen kunnen leren vliegen, varen en rijden.  In wezen was deze opleiding bedoeld als kweekvijver en reservoir voor de latere motor- en pantserdivisies.  Het was onrechtstreeks ook een snelweg naar de SS-status.  Wie bij de SS hoorde was ook bij de elite van het Duitse volk.  De Moto HJ werd snel de populairste afdeling.  Ze bood een uitgelezen kans om te leren motorrijden.  Bij de stichting in 1933 waren er al meteen 6000 gegadigden die hun motorrijbewijs probeerden te halen.  De opleiding bestond uit 3 jaarcursussen met stijgende moeilijkheidsgraad.  Je begon als 15-jarige met lessen verkeersreglement, kaartlezen, voertuigreparatie, onderdelenkennis en motormechanica in theorie en praktijk.  Dit programma leidde tot de A-badge, het laagste niveau.

Op 16-jarige leeftijd kon met de praktijk van het motorrijden begonnen worden.  De vakken uit de A-klas werden verder uitgediept.  Het uiteindelijke doel was een motorrijbewijs en een B-badge op de mouw.

Een Motor HJ-er leert motorrijden met een legerinstructeur.

De C-badge vanaf 17 jaar gaf toegang tot oefenwedstijden. Slagen kon mits minimum 80 uur rijervaring en 105 uur toegepaste mechanica.  Het wedstrijdrijden ging o.a. door op de legeroefenterreinen van Döberitz ten westen van Berlijn, het tot dan toe grootste legercomplex van Europa.

Wie 18 werd kon vervolgens overgaan naar de NSKK (Nationaalsozialistisches Kraftfahrer Korps) dat gericht was op de opleiding voor het besturen van auto-, vrachtauto of pantservoertuig door middel van een doorgedreven cursus van zes weken.

Om lid te zijn van de Motor HJ diende een lidgeld betaald.  Dat was hoger dan bij de andere afdelingen omdat de opleidingskosten hoger waren.  Er was vaak een chronisch tekort aan motoren zodat cursisten vaak hun eigen motor dienden mee te brengen.

De NSKK-ers waren in de oorlog geen gevechtstroepen; de gevechtsdivisies (SS en Wehrmacht) hadden hun eigen rijders, geput uit de Motor HJ-voorraad of uit eigen opleiding.  De taken van de Kradschützen of Kradmelders waren divers al naar gelang hun inzet op het terrein: verkenner, boodschapper, begeleider van transportcolonnes en officieren, verkeersregeling, snelle interventies, depannagedienst of het opzetten van reparatiewerkplaatsen voor motorvoertuigen.  Tegen het einde van de oorlog zouden honderdduizenden motorrijders gefungeerd hebben in het Duitse leger.  In het begin was het nog reuzeplezant hotsen en botsen door de weidse Russische vlakten of in de woestijn van Noord-Afrika.  Doch gaandeweg werd het crossen om het eigen hachje te redden.  Hitlers crossers waren daarenboven kwetsbare doelwitten voor goed mikkende schutters.  Ze hadden geen enkele bepantsering en al rijdend droegen ze hun geweer op de rug.  Het volgende filmfragment uit een Russische speelfilm geeft een goed beeld van hoe kwetsbaar stoere motorrijders waren in de oorlog.

https://www.youtube.com/watch?v=YzstRaYEckQ

Wie uiteindelijk het helse avontuur overleefd had diende zijn motor in te leveren bij de geallieerden.  Vele crossers van bij ons startten hun carrière op afgedankte en/of overbodig geworden legermotoren van de geallieerden.  Het spreekt vanzelf dat in de gegeven omstandigheden de motocross-sport zich in Duitsland niet heeft kunnen ontplooien zoals bij ons gebeurde in de dertiger jaren.  Het land lag in puin aan en de verkeerde kant van het mx-gordijn.

Wehrmachtmotoren aan de ketting in 1946.

Een impressie van de “avonturen” van de Kradschützen/Kradmelders vind je op onderstaande video.

https://www.youtube.com/watch?v=J7PCq97s1DE

Auteur: Jan Forier

Woensdag 14 februari lees je deel 2 van deze driedelige serie over De Motorcrossgeschiedenis van West-Duitsland.

Uw reacties