12 vragen aan Dirk Geukens!

12 vragen aan Dirk Geukens!
Decrease Font Size Increase Font Size Taille du texte Imprimer

Het wordt stilaan een traditie om oud grand-prix piloten voor onze microfoon te halen. We begonnen in 2015 met Akira Watanabe maar voor onze bekende 12 vragen blijven we deze keer dicht bij huis. We stellen telkens exact dezelfde vragen over het verleden, het heden en de toekomst van onze geliefde sport. We stellen ze aan een erg verdienstelijk motorcrosser die het in zijn loopbaan op moest nemen tegen straffe namen zoals Eric Geboers en André Malherbe. Hier zijn de 12 vragen aan Dirk Geukens.

De crosser zat al vroeg in zijn jeugd op een crossmotor en leerde snel de stiel. In de jeugdreeksen viel hij dan ook regelmatig in de prijzen. Hij werd in 1987 fulltime motorcrosser en kon een mooi palmares bij elkaar rijden. In de zand kon Geukens altijd wat meer en dat werd ook vertaald in zijn overwinningen. Zo wist hij tweemaal een GP te winnen waaronder die van Valkenswaard en Hawkstone Park. Als privérijder zulke prestaties neerzetten is niet iedereen gegeven. Ook was hij tweemaal tweede in “de Naties” met zijn maatjes Stefan Everts en Marnicq Bervoets. Dat was in het Zweedse Vimmerby in 1990 en een jaar later in Valkenswaard. Telkens werden de Belgen geklopt door de Amerikanen al scheelde het echt niet veel. In Zweden werd Geukens frontaal op het voorwiel gepakt door Jeff Stanton en waardoor de Belgen een mogelijke overwinning in rook zagen opgaan.

Tegenwoordig is Geukens één van de mensen achter Motorsport Future Vlaanderen en begeleid hij jonge talenten op weg naar de top.

1) Wie was in uw carrière de sterkste tegenstander en waarom? DG: Dat was Eric Geboers die spijtig genoeg vorig jaar overleed. Men heeft me altijd gezegd dat ik in een zware generatie van topcrossers zat maar van die mannen leer je ook veel. Ik heb dus veel geleerd van Malherbe, Geboers en Vromans. Geboers was een sterk karakter samen met Stefan Everts en nu Antonio Cairoli. Die piloten kunnen toch top vijf rijden al hebben ze een slechte dag. Een mindere piloot eindigt dan eerder als twintigste.

2) Welk was uw favoriete omloop? DG: Dat waren de snelle zandcircuits zoals Valkenswaard en Hawkstone Park. Niet toevallig won ik daar ook de grand-prix. In Vimmerby (1990) en Valkenswaard (1991) kon ik ook met de Belgische ploeg telkens tweede worden in de MXoN. Ik was technisch iets minder dan mijn concurrenten maar dat kon ik compenseren met een goede conditie. Gezien mijn leeftijd had ik in Team Belgium een leidersfunctie om de motivatie hoog genoeg te krijgen tijdens de MXoN. Stefan Everts had daar weinig problemen mee maar Bervoets overschatte de Amerikanen altijd en daar probeerde ik aan te werken. Ik zei dan dat we zeker zo goed waren als de Amerikanen en probeerde zo die mannen kalm te houden en wat zelfvertrouwen te kweken. Teammanager toen was Johnny Strijbos. Hij nam het risico om de snelle mannen thuis te laten in 1990. Geboers en Jobé waren op dat moment niet gemotiveerd om de MXoN te rijden en daarom heb ik deze kans met beide handen gegrepen. In de laatste reeks rij ik tweede achter Jeff Leisk en toen kwam Stanton met een “move” achteraan het circuit. Hij reed me eraf en zat een overwinning er voor ons niet meer in. We werden toch nog tweede wat toch een mooi resultaat is. 

3) Welke motor had op u de grootste indruk en waarom? DG: Ik heb altijd met Honda gereden en op het einde nog even met een Kawasaki. Dan heb ik nog een tijdje viertakt gereden en ik was wel onder de indruk van de rijkwaliteiten van deze machines. De viertakten zijn nu nog fel verbeterd en erg plezant om mee te rijden. In verhouding is een 500cc tweetakt een kanon en moet je meer doseren. Ik heb altijd met de betere standaardmotoren gereden. Ik heb ooit even met een kit gereden maar dat werkte niet voor mij. We hebben de kit terug gegeven en weer met een standaard setup gereden. 

4) Welke beslissing was niet de allerbeste in uw carrière als motorcrosser? DG: Ik denk dat ik weinig fouten heb gemaakt. Er zijn ook weinig blessures geweest en als ik het opnieuw moest doen zou ik het identiek hetzelfde aanpakken. Ik heb het maximale uit mijn carrière gehaald denk ik. Men zegt me soms dat als ik fabrieksmachines had gehad dat ik dan nog beter had gereden maar ik twijfel daar aan. Men kan een mindere prestatie altijd ergens op steken maar ik had altijd een heel goede motor ondanks het grote verschil tussen een standaard- en een fabrieksfiets. Zo herinner ik me nog een anekdote uit de periode van de merkentrofee in Vorselaar. Daar lag er een enorm lange start en ik was er eens als derde of vierde weg. Als ik samen met de de fabriekspiloten de startbaan opdraaide had ik telkens 50 meter aan mijn broek op het einde. Die machines liepen nog een stukje beter dan mijn standaardmotor. Dat verschil is volgens mij nu wat kleiner geworden. Tegenwoordig hebben de standaard viertakten al een aardig topvermogen maar wordt het verschil echt gemaakt met de vering.

5) Tweetakt of viertakt? DG: Ik heb geen voorkeur. Ik heb vooral met tweetakten gereden en nog even met de viertakten maar het maakt mij niet uit. Cross is cross en het is voor mij even leuk met beide motoren. 

6) Hebben elektrische crossmachines de toekomst? DG: Ik twijfel. De investeringen die daar bij horen zijn vrij zwaar denk ik. De batterijen gaan nog niet lang genoeg mee. Het concept vind ik goed en ik denk dat je met een elektrische motor even hard kan gaan maar het prijskaartje is pittig vrees ik. Nu kan je in principe met een bus benzine naar het circuit trekken en ben je aan het rijden. Voor een amateur is elektrisch crossen duur. Ook de uitbaters van trainingsomlopen zullen investeringen moeten doen. 

7) Welke gebeurtenis in uw loopbaan is u het meest bij gebleven? DG: Dat was de eerste GP die ik kon winnen in Valkenswaard. Ik had me goed voorbereid dat jaar. En ik voelde ook dat ik kon winnen. Mijn overwinning gaf me veel voldoening, zeker omdat ik een privérijder was tussen heel wat fabriekspiloten. Ik startte niet als favoriet volgens de pers maar ik kwam aan de start met erg veel zelfvertrouwen. In die tijd was er nog de kerstcross in Valkenswaard en daar reed ik ook altijd goed. Ik heb op dat goede gevoel verder gebouwd naar aanloop van de GP. Toen had ik al een paar jaar een eigen mecanicien en dat hielp ook in de opbouw van mijn zelfvertrouwen. Ook de Endurocross die ik twee of drie keer heb gewonnen was een leuk moment op het einde van het jaar. Het evenement kwam ook op tv en was ideaal om sponsordeals te sluiten.

8) MXGP of Supercross? En waarom? DG: Ik hou van beide. Straks kijk ik weer naar de Supercross op tv en ook volg ik de AMA outdoors. Het is wel een ietsje anders maar ik hou sowieso van motorcross in welke vorm dan ook.

9) Welke overwinning was de strafste uit uw carrière? DG: Zie vraag 2

10) In dichtbevolkte landen zoals België is het dramatisch gesteld met het aanbod van trainingsomlopen. Is dit volgens jou een onomkeerbaar proces of zijn er nog oplossingen mogelijk? DG: Ik zie daar niet dadelijk een oplossing tevoorschijn komen. Ik heb daarover met Joël Smets gepraat maar er komen weinig openingen in. Goede initiatieven worden direct afgeblokt. De BMB is ook niet meer slagvaardig te noemen en zijn wat weggedeemsterd. Ook in Nederland komt er steeds meer protest op bestaande circuits maar daar zijn ze er beter tegen gewapend. 

11) Geprepareerde kunstmatige of oldschool natuurlijke omlopen? DG: Dat is voor mij heel simpel. Ik kies voor de oldschool omlopen. Ook al omdat ik de geprepareerde circuits niet heb meegemaakt in mijn carriére. Toen was scrubben en zo er nog niet bij, tenzij per ongeluk (lacht). Toen waren het natuurlijke circuits met hier en daar een tafelberg en dat was ook spectaculair. Tegenwoordig vindt ik dat de piloten wat teveel in de lucht hangen. 

12) Welke gouden raad geef jij aan jong opkomend motorcrosstalent? DG: De jongeren moeten proberen om zoveel mogelijk plezier te hebben van de sport en niet direct te hoog te mikken. Ze moeten ook proberen om de sport op een nuchtere manier te benaderen want het is een hele lange weg. Er zijn veel gegadigden maar weinig uitverkoren. Als je voelt dat het goed gaat moet je geen oogkleppen dragen en breed genoeg willen kijken. Je moet kijken wat je kan en zien of je snel genoeg evolueert en tegelijk de verwachtingen niet te hoog stellen. 

Resultaten archief BMB: Marnix Vanslembrouck en Gilbert Bruynooghe

Uw reacties